Menu
Mijn Keunstwurk

Waar staat de amateurkunstsector van Fryslân in 2030?

Waar staat de amateurkunstsector van Fryslân in 2030? Over deze vraag bogen genodigde koepelorganisaties, overheden, verenigingen en onderzoekers zich op zondag 7 november tijdens de Dag van de Amateurkunst in Leeuwarden. Na een bevlogen betoog van Evert Bisschop Boele gingen de gasten in werkgroepen in gesprek over de subthema’s multidisciplinair samenwerken, culturele platforms en inclusie.

Bovenstaande afbeelding: Maarten Snel (Collegium Vocale Fryslân) droeg dit voorbeeld aan uit Duitsland. “Na de bankencrisis verklaarden “wij” sommige banken tot een systeembank, die mocht niet omvallen. Cultuur is net zo belangrijk, mag niet omvallen. In het Duits is het zo kernachtig gezegd.”

Hoe staan de verenigingen in Fryslân er nu voor? Het LKCA heeft in 2021 een landelijk monitor uitgevoerd onder de culturele verenigingen en stichtingen. Speciaal voor de Dag voor Amateurkunst is er een rapport gemaakt van de uitkomsten in Friesland. Wat valt op als we de cijfers van Fryslân bekijken? Dat we er best goed voorstaan. Bij 69% van de verengingen is het ledenaantal niet gedaald door corona. De meerderheid (56%) heeft een financieel gezonde situatie. De helft van de verenigingen ziet zichzelf als krachtig tot zeer krachtig in organisatiekracht. Het wordt wel steeds lastiger om bestuursleden te vinden (49%) en andere knelpunten zijn zichtbaarheid en publieksbereik, financiën en locaties. Ook in Fryslân heeft corona er flink ingehakt: bijna één op de vijf verenigingen acht het (zeer) waarschijnlijk dat ze over een jaar veel kleiner zijn. Het onderzoek van het Fries Sociaal Plan Bureau (2021) bevestigt dat ruim de helft van de verenigingen zich zorgen maakt over de toekomst.

Keynote Evert Bisschop Boele

“Maar laten we deze middag niet ingaan vanuit een ‘einde der tijden’-perspectief en met een ‘vijf voor twaalf’-gevoel,” zegt keynote speaker Evert Bisschop Boele. Hij is lector Kunsteducatie aan de Hanzeschool Groningen en bijzonder hoogleraar Cutluurparticipatie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij stelt voor om ons niet blind te staren op de cijfers, zoals de uitkomsten van de Verenigingsmonitor van het LKCA. Wat vertellen deze cijfers ons? “Behalve wat anekdotiek? In ieder geval dat de werkelijkheid veel ingewikkelder is dan wat voor op enquêtes gebaseerde cijfers dan ook ons voorspiegelen.” Natuurlijk zijn er genoeg uitdagingen, maar eigenlijk staat het verenigingsleven er nog best goed voor. Maar we weten ook dat een bloeiend verenigingsleven geen vanzelfsprekendheid is. “Daar moet hard voor gewerkt worden. Dat was vroeger zo, dat is nu zo, en dat is straks nog steeds zo.” We zullen moeten meebewegen als we een vereniging door al die voortdurende veranderingen heen willen loodsen, als we relevant willen blijven.

Maar wat is die amateurkunstsector eigenlijk? Het zijn drie woorden: amateur, kunst en sector. Waarbij de amateur een liefhebber is: iemand die met hart en ziel iets graag doet. En dus geen niet-professional die desondanks moet streven naar de hoogte artistieke kwaliteit. En die hoeft zich ook niet uitgenodigd te voelen tot kunst met een grote ‘K’. In de term ‘sector’ huist het gevaar van ‘organisatiekramp. “Waar een sector is, moet worden geregeld, bestuurd en overlegd.”

Boele doet drie suggesties om mee te nemen in onze gesprekken die middag. Ten eerste om de amateurkunstsector te zien als een complex dynamisch systeem. Iets wat voortdurend verandert en wat alleen gaat werken als de elementen in het systeem op een actieve en responsieve manier samenwerken. “Laten we vooral uitgaan van contact, uitwisseling, enthousiasme, vertrouwen, voortdurende betrokkenheid en flexibiliteit.” Als tweede stelt Boele voor om verbindingszones te creëren waardoor het makkelijker wordt voor mensen om de weg naar amateurkunst te vinden en daarbij ten slotte dialogische relaties te gebruiken: door samen te verkennen hoe je van betekenis voor elkaar kunt zijn, waar nieuwe aanknopingspunten liggen. Hij ziet de amateurkunst als een ecosysteem en dat is het meest veerkrachtig in tijden van verandering als het divers is. We hebben allemaal onze rol te vervullen in dit ecosysteem. Hoe kunnen we elkaar versterken?

Werkgroepen

Na de keynote gingen deelnemers in groepen aan de slag met de thema’s multidisciplinair samenwerken, culturele platforms en inclusie.

Multidisciplinair samenwerken
Samenwerken? Laten we dan eerst maar op tafel gooien waar je het dan vooral niet over wilt hebben. Cultuurverbinders Eline de Vries en Romke Gabe Draaijer beginnen daarom met een anti-samenwerkingsbingo waarin alle ‘dooddoeners’ verzameld worden. In hun werkgroepsessies kijken ze naar het begrip multidisciplinair samenwerken en wat dit voor de aanwezigen betekend. Wat heb je gemeenschappelijk als verenigingen? Wat zijn goede voorbeelden? Belangrijke voordelen van multidisciplinair samenwerken die genoemd worden zijn: nieuwe contacten, elkaar artistiek versterken en van elkaar kunnen leren. Je hoeft het wiel niet altijd zelf uit te vinden. Het kan ook leiden tot eventueel nieuw publiek of zelfs nieuwe leden. Voorwaarden voor de samenwerking zijn, dat de verschillende partijen intrinsiek gemotiveerd zijn en open staan voor een blikverruiming. Het moet geen ‘moeten’ worden. Het vraagt dat je elkaar de ruimte kunt geven, dat ieder zijn eigenheid kan behouden. Je moet elkaar niet als concurrenten beschouwen.

Culturele platforms
In Groningen is het al een bekend gegeven: een cultureel platform. Aafke Hoek van Fier Westerkwartier vertelde over haar ervaringen. Maar eerst mochten de deelnemers onder leiding van Rozemarijn Strubbe zelf aan de slag met een ‘recept’ voor een cultureel platform. Wat wil je koken, wat is het doel? Wat zijn de ingrediënten, wat heb je nodig? En hoe ga je het bereiden, welke stappen moet je wel of juist niet zetten? Het basisprincipe van een cultureel platform is dat verschillende culturele organisaties, maar eventueel ook organisaties uit andere sectoren bij elkaar komen in een netwerkverband. Dat kan zowel informeel zijn als formeel in bijvoorbeeld een stichting. Dit platform zou zich bijvoorbeeld in kunnen zetten voor de regionale belangen van de amateurkunsten. Want op provinciaal niveau is er best veel geregeld qua ondersteuning, maar het is de vraag of dat gemeentelijk ook zo is.

  • Lokale overheden betrekken: Een platform zou dus een regionale insteek kunnen hebben en de gemeentelijke cultuurambtenaren hierbij betrekken. Aafke Hoek vertelt dat ze, door zich te verenigen als organisaties, een gezamenlijke stem hebben richting de lokale overheid. Zodoende word je als platform een belangrijke gesprekspartner, maar komt de cultuurambtenaar andersom ook dichter bij het veld te staan en is er meer een directe persoonlijke relatie. Belangrijk is dat iedereen in het platform vanuit het belang van de regio denkt en niet vanuit zijn eigen belang. Het is ook een manier om zowel in het veld als bij de lokale overheden te ‘ontschotten’ om, waar er een wens ligt, meer cross-sectoraal te werken.
  • Verbindingen leggen: In het gesprek hierover kwam duidelijk naar voren dat er bij de aanwezigen vooral een behoefte is om aan de basis te verbinden, van onderop. Om mensen, initiatieven, verenigingen bij elkaar te brengen, uit hun eigen bubbel te halen. De eerste stap is dus de ontmoeting en elkaar leren kennen. Wat zijn ieders drijfveren? Hebben we gezamenlijke doelen?
  • Enthousiasme: Een advies daarbij is om te kijken naar wat er al is en daar te beginnen. Er hoeft niet per se iets nieuws opgebouwd te worden. Je moet vooral kijken waar de energie, het enthousiasme is om te beginnen. Dan is er vaak veel mogelijk ondanks verschillende achtergronden/disciplines. Met openheid, vertrouwen elkaar helpen en relaties opbouwen.
  • Bottom up werken: Organisaties/experts/overheden kunnen daarin een faciliterende en adviserende rol in nemen, maar moeten vooral niet bepalen hoe het moet. We moeten waken voor een ‘top down’-plan. Er wordt nog te vaak vanuit een ‘expert’ ofwel ‘kunstbril’ naar het amateurkunstenveld gekeken in plaats van een ‘cultuurparticipatie’-perspectief. Daartegenover wordt gesteld dat de experts er wel aan bijdragen dat een plan op een hoger niveau komt, als de wens daartoe is.

Inclusie
Uit de rapportage van het LKCA blijkt dat verenigingen nauwelijks maatschappelijk georiënteerd zijn. Ze hebben vooral samenwerkingsverbanden binnen de culturele sector en andersoortige partners vooral voor locaties bij optredens. Maar slechts twintig procent zet zich in om andersoortige doelgroepen te bereiken, zoals mensen met een laag inkomen, vluchtelingen of mensen met een beperking. Zo’n 29% van de verenigingen heeft mensen met een beperking in hun ledenbestand, maar organiseert daar eigenlijk geen aparte activiteiten voor. Deze mensen doen mee in het reguliere programma. In hoeverre speelt het bij verenigingen om na te denken over hun toegankelijkheid? Of breder, over gastvrijheid? Hoe welkom is iemand op je club? Bij de werkgroepsessie Inclusie gingen de deelnemers eerst van start met een check-in. Door middel van een aantal vragen die onschuldig begonnen werden de deelnemers geleidelijk aan geconfronteerd met vragen of ze zelf wel eens uitgesloten zijn van deelname of het in de omgeving wel eens hebben meegemaakt. Na deze opwarmronde werd het creatieve tekentalent van de deelnemers aangesproken. De opdracht luidde: teken een situatie wanneer jij je welkom voelde waarin je het niet had verwacht. Dit resulteerde in prachtige verhalen variërend van de Gouden Gurbe tot het gastvrij worden ontvangen van een Turkse familie. Tot slot zijn de deelnemers in debat gegaan om te kijken in hoeverre het thema ‘Inclusie’ kan schuren. De stelling luidde: Binnen de amateurkunst hoeft niet iedereen mee te kunnen doen. Hoe lastig inclusie in de praktijk eigenlijk is kwam ook aan het licht tijdens het debatteren. Geconcludeerd kan worden dat verenigingen minder met oogkleppen naar de omgeving moet kijken. Dat er neutrale ruimtes gecreëerd dienen te worden waar er ruimte is voor gesprek. Ook respect naar anderen, personen in hun waarde laten zijn opmerkingen waar de deelnemers mee kwamen. Één slotzin vat misschien alles wel samen en dat is dat iedereen in principe welkom is maar dat er vervolgens moet worden gekeken naar de rolverdeling.

Dag van de Amateurkunst
Fotograaf: Titus van ’t Veer

Conclusie

Waar is de amateurkunstsector van Fryslân in 2030? De belangrijkste bevinding van deze dag is dat het allemaal begint bij elkaar leren kennen. Evert Bisschop Boele geeft aan dat een bijeenkomst al geslaagd is als je met twee nieuwe contacten naar huis gaat. Voor veel mensen deze middag gold dat ze elkaar nog niet eerder ontmoet hadden en belangstellend naar elkaars verhaal hebben geluisterd. Er ligt dus een taak om deze ontmoetingen te organiseren. Niet alleen tussen experts, maar juist daar waar de mensen bezig zijn met hun liefhebberij!

Contactpersoon
Rozemarijn StrubbeCoördinator Kennis Cultuurparticipatie
Werkdagen:ma, di, do
Telefoon:058 234 34 50